In mei dit jaar is de wet DBA aangenomen. (Er geldt een overgangsperiode tot 1 mei 2017.) De letters DBA staan voor Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties. De nieuwe wet vervangt de oude Verklaring Arbeidsrelaties, oftewel de VAR. Met de nieuwe wet wil de Belastingdienst meer grip krijgen op de afspraken tussen een zzp’er en een opdrachtgever. Om te beoordelen of er werkelijk een zzp-relatie is op basis van opdrachtgever en opdrachtnemer of van een (fictieve) dienstbetrekking. Twee deskundigen geven antwoord op de essentiële vragen over de nieuwe wet.

Vraag 1: Hoe werkt de wet in de praktijk?
“Opdrachtgevers en zelfstandigen zonder personeel kunnen onderling een overeenkomst opstellen,” legt Sander van Wijk uit. Hij is kantoorleider bij Robbers Accountants Belastingadviseurs in Apeldoorn. “In de overeenkomst leggen ze hun werkrelatie vast, zodat duidelijk is dat er geen sprake is van loondienst.

Opdrachtgevers weten dan zeker dat zij geen loonheffingen hoeven in te houden en te betalen. De feitelijke werkzaamheden moeten duidelijk omschreven zijn. Men dient zich ook echt aan die werkzaamheden te houden. Als de werkrelatie een andere inhoud krijgt, dan is de overeenkomst niet meer geldig.”

Vraag 2: Is de DBA-overeenkomst verplicht?
Sander van Wijk: “Er geldt geen verplichting. De oude VAR-verklaring was evenmin verplicht. Als beide partijen ervan overtuigd zijn dat er geen sprake is van een dienstverband, is de noodzaak om een overeenkomst op te stellen ook niet zo groot. Het spreekt voor zich dat een schilder met louter particuliere klanten niet met al die klanten een verklaring hoeft op te stellen. Maar bij een schilder die 90 procent van zijn werkzaamheden voor één bedrijf uitvoert, zou er wel eens sprake kunnen zijn van schijnzelfstandigheid.”

Vraag 3: In welke gevallen is het wel verstandig om een DBA-overeenkomst op te stellen?
“In alle gevallen van twijfel over de arbeidsrelatie,” zegt Peter Robbers, algemeen directeur van Robbers Accountants Belastingadviseurs. “Als de fiscus meent dat er sprake is van schijnzelfstandigheid, dan moet de opdrachtgever zonder DBA-overeenkomst bewijzen dat er geen sprake is van een dienstverband. Is er wel een overeenkomst, dan moet de Belastingdienst bewijzen dat er iets niet in orde is.

Sander van Wijk: “In de oude situatie was de opdrachtgever die een VAR-verklaring had ontvangen van de opdrachtnemer gevrijwaard van de gevolgen. De wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties heeft beide partijen aansprakelijk gemaakt. En let wel: de financiële consequenties kunnen groot zijn als de fiscus constateert dat er toch sprake is van een dienstbetrekking. De opdrachtgever wordt dan aangeslagen voor de loonheffingen plus een boete die op kan lopen tot 100 procent. De loonbelasting en de premies volksverzekeringen kan hij overigens weer verhalen op de opdrachtnemer. De boete en de premies sociale verzekeringen blijven bij de opdrachtgever; hiervoor geldt een verhaalsverbod. De opdrachtnemer loopt vervolgens ook een aanzienlijke kans zijn (ten onrechte) genoten ondernemersaftrek kwijt te raken. Maar tegelijkertijd is er dan ook een dienstverband ontstaan. Inclusief loon doorbetalen bij ziekte, vakantiegeld, vakantiedagen enzovoorts. Beide partijen hebben dus baat bij zekerheid over hun arbeidsrelatie.”

Vraag 4: Is er nog iets meer veranderd door de nieuwe wet?
Sander van Wijk: “Voorheen mocht de opdrachtnemer gebruik maken van het gereedschap van de opdrachtgever. Nu moet de opdrachtnemer aantonen dat hij of zij met eigen gereedschap werkt. Dat maakt de onafhankelijkheid groter en dat is wat deze wet ook beoogt. De noodzaak van de wet DBA is ontstaan in de bouwwereld. Toen het daar slecht ging, werd er om kosten te besparen van medewerkers afscheid genomen. Diezelfde mensen gingen vervolgens als zelfstandige aan de slag bij hetzelfde bedrijf. Vergelijkbaar was het verhaal van de pakjesbezorgers. De overheid wil met deze wet schijnzelfstandigheid aanpakken.”

Peter Robbers: “Het aantal opdrachtgevers van de zzp’er is niet meer van belang. Overigens was dat in de vroegere situatie een soort richtlijn uit de losse pols. Het was acceptabel als dat aantal ergens tussen de drie en de zeven lag. Maar in de praktijk kon een zzp’er ook langdurig één opdrachtgever hebben. Bovendien zeggen aantallen niet zoveel. Een zelfstandige met vijf opdrachtgevers kan bijvoorbeeld 90 procent van zijn omzet bij één opdrachtgever halen en de rest via kleine karweitjes bij de overige vier.”

- Advertentie -