De gangbare term luidt ‘ontspullen’. Een woord dat zelf opgeruimd mag worden. Sinds een verzekeraar met ontzorgen op de proppen kwam, ontsieren wanstaltige ‘ont-woorden’ ons taalgebruik.

De gedachte achter dat ontspullen is wel degelijk aantrekkelijk. In een huis met veel ruimte is het leven aangenaam en overzichtelijk. De afgelopen decennia hebben we dus iets niet goed gedaan, want sinds de jaren zestig zijn we in dit welvarende deel van de wereld onze woningen, van de kelder tot de nok, vol gaan stouwen met huisraad, apparaten, hebbedingetjes, eyecatchers, prullaria, keukenspullen om nooit te gebruiken, boeken om hooguit één keer te lezen en vooral veel spul om de laden, de kasten en de zolder uit te laten puilen.

Nou ken ik mezelf met mijn neiging om te hard van stapel te lopen. Met dat ontspullen loop ik dus het risico dat er binnen korte tijd geen stoel meer in huis is om op te zitten. Voorzichtigheidshalve begin ik met de bovenste la van ons dressoir. Voor volledige controle raadpleeg ik Wikipedia en leer dat een lade een horizontaal schuivend compartiment is dat men gebruikt om voorwerpen in op te bergen. De online encyclopedie vermeldt er niet bij voor hoeveel of voor welke soorten voorwerpen de lade eigenlijk is ontworpen. Ook in de woonmagazines – waarvan we achter het gordijntje op zolder stapels bewaren, naast de 24 delen van de papieren encyclopedie van vroeger – is de lade een onderbelicht thema. Terwijl een handleiding toch zeer gewenst is.

In onbewaakte ogenblikken houd ik nogal eens een voorwerp in mijn handen zonder enig benul wat ik ermee moet. Onlangs was dat een plastic paddenstoel met een geinig lichtje. Dan klinkt meestal de in ons huis gevleugelde uitdrukking: “Leg maar in de bovenste la.” En dan verdwijnt de paddenstoel tussen de andere prullaria. Zoals een felgeel kijkertje dat de omgeving als in een gebroken spiegel vertoont. Een Tiroler kerkje onder een glazen stolpje waarin het gaat sneeuwen als je ermee schudt. Een metalen kikker die klik doet als je de achterkant indrukt. Ruim drie dozijn aan pennen, fietslampjes, prijslijsten van cateraars die al lang over de kop zijn, kleurpotloden voor de nichtjes die inmiddels dames zijn, consumptiemunten van een café dat niet meer bestaat, velletjes met kortingzegels (geldig tot 28 februari 2013), opladers voor geen idee welk apparaat ook alweer en sleutels voor geen idee welke deur.

De bovenste la puilt dusdanig uit dat de middelste en onderste la nu ook dienst doen als bovenste la. De rest van het dressoir is gevuld met schoteltjes, vaasjes, kopjes en glazen onderzetters die het daglicht nooit zien. Iets weggooien is geen optie, want de andere gevleugelde uitdrukking luidt: “Het kan altijd nog van pas komen.”

De optie om de hele inhoud in de kliko te deponeren levert vrijwel zeker een stevige woordenwisseling op met mevrouw Pluis. Ik neem daarom een ander besluit. Vanaf nu ga ik ontwinkelen. Dat spijt me voor de nog bestaande winkels. Maar een economie die is gebaseerd op het aanschaffen van spullen die je niet nodig hebt, is een achterhaald concept. Met dit inzicht waan ik me de held van mijn eigen kringloopwinkel.

Pluisje

- Advertentie -